De fiscaliteit rond bedrijfswagens verandert ingrijpend vanaf 2026. Voor werkgevers die hun wagenpark vernieuwen, wordt de keuze steeds duidelijker: elektrisch wordt de nieuwe norm. Niet vanuit ideologie, maar omdat wagens met CO₂‑uitstoot fiscaal structureel ongunstiger worden behandeld zowel voor de onderneming als voor de werknemer.
1. Fiscale aftrekbaarheid: één aankoopdatum, grote gevolgen
De fiscale behandeling van een bedrijfswagen wordt volledig bepaald door het moment van aankoop of leasing. Afhankelijk van die datum kom je terecht in een stabiel regime, een afbouwscenario of een context waarin brandstofwagens volledig uit de fiscale aftrek verdwijnen.
- Aankoop vóór 1 juli 2023
Voor deze wagens blijft het klassieke systeem gelden. De fiscale aftrek wordt berekend op basis van de CO₂‑uitstoot en varieert tussen 50% en 100%. Er is geen geplande afbouw naar 0% en deze wagens vallen ook niet onder de nieuwe vermenigvuldigingsfactor voor de CO₂‑solidariteitsbijdrage. Wel blijft indexatie van toepassing. Dit is vandaag het meest voorspelbare en stabiele kader. Van zodra deze wagen wordt vervangen, stap je echter automatisch over naar een strenger regime. - Aankoop tussen 1 juli 2023 en 31 december 2025
In deze overgangsperiode start de afbouw. Brandstofwagens en hybrides blijven tijdelijk aftrekbaar, maar het voordeel neemt snel af: van 75% in 2025 naar 50% in aanslagjaar 2027, 25% in 2028 en 0% vanaf aanslagjaar 2029.
Daarnaast vallen deze wagens onder de nieuwe vermenigvuldigingsfactor voor de CO₂‑solidariteitsbijdrage, die in 2026 al oploopt tot 4,00. Het resultaat is een combinatie van jaar na jaar dalende aftrek en een toenemende maandelijkse kost voor de werkgever. - Aankoop vanaf 1 januari 2026
Vanaf 2026 verdwijnt elke grijze zone. Wagens met CO₂‑uitstoot , inclusief plug‑in hybrides zijn fiscaal niet langer aftrekbaar. De aftrek wordt herleid tot 0%.
Enkel volledig elektrische wagens blijven aftrekbaar, al wordt ook dat voordeel stelselmatig afgebouwd: 100% in 2026, 95% in 2027, 90% in 2028, 82,5% in 2029, 75% in 2030 en 67,5% vanaf 2031.
De conclusie is duidelijk: wie vandaag een wagenpark vernieuwt, zal de omslag naar elektrisch moeten maken. Dat is geen beleidskeuze meer, maar een fiscale realiteit.
2. Voordeel alle aard: ook voor werknemers stijgt de kost
Naast de fiscale aftrek en de CO₂‑solidariteitsbijdrage speelt ook het voordeel alle aard (VAA) een belangrijke rol. Dit bepaalt hoeveel de werknemer belast wordt voor het privégebruik van de bedrijfswagen.
De berekening gebeurt volgens een vaste wettelijke formule, waarin het CO₂‑percentage een cruciale factor is. Dat percentage is gekoppeld aan de jaarlijks dalende referentie‑uitstoot die door de overheid wordt vastgelegd.
Voor 2025 en 2026 daalt die referentie opnieuw, waardoor wagens sneller “boven de norm” uitkomen. Het gevolg is een hoger CO₂‑percentage in de berekening, een stijgend belastbaar voordeel en dus ook meer bedrijfsvoorheffing. De werknemer houdt netto minder over, zonder dat de wagen verandert.
Daarbovenop bestaat er een minimaal voordeel alle aard, dat jaarlijks geïndexeerd wordt. Zelfs zeer zuinige brandstofwagens ontsnappen hier niet aan. De combinatie van een dalende referentie‑uitstoot en een stijgend minimum zorgt ervoor dat klassieke brandstofwagens ook voor werknemers steeds minder aantrekkelijk worden.
Ook hier loopt dezelfde lijn door: wie niet overschakelt naar elektrisch, betaalt meer.
3. CO₂‑solidariteitsbijdrage: structureel hogere maandelijkse kost
De derde belangrijke component is de CO₂‑solidariteitsbijdrage: een maandelijkse RSZ‑bijdrage die de werkgever betaalt per bedrijfswagen.
De basisbijdrage is afhankelijk van de CO₂‑uitstoot en wordt jaarlijks geïndexeerd. Voor wagens aangekocht vanaf 1 juli 2023 komt daar bovendien een vermenigvuldigingsfactor bovenop, die in 2026 al oploopt tot 4,00. Dit zorgt ervoor dat de maandelijkse kost voor de werkgever in sommige gevallen meer dan verviervoudigt.
Ook de minimale bijdrage stijgt verder, waardoor zelfs wagens met een lagere uitstoot niet ontsnappen aan een hogere factuur. Wie vandaag kiest voor een brandstofwagen, engageert zich dus bewust voor een blijvend hogere maandelijkse kost.
Besluit: tijd voor een strategische hertekening van het mobiliteitsbeleid
Brandstofwagens worden niet duurder door één maatregel, maar door de cumulatie van lagere aftrek, hogere CO₂‑bijdragen en een stijgend voordeel alle aard. Die totale kost blijft structureel toenemen.
Hoewel een elektrische wagen in aankoop vaak duurder lijkt, blijkt het verschil kleiner of zelfs onbestaand wanneer het volledige fiscale en parafiscale plaatje wordt meegerekend. In veel gevallen is elektrisch op termijn minstens even voordelig. Onze juristen kunnen u helpen bij de strategische keuze!